|
![]() De rode stip wijst het dichtbebost gebied aan tussen Roeselare en Menen (kaart van Abraham Ortelius. Descriptio Germaniae Inferioris. 1573).
De Koolbrandershoek
![]() De Koolbrandershoek, gesitueerd in de zuidwestelijke uithoek van Rumbeke. Hier ontstond in de 2de helft van de 19de eeuw de dorpskern van Beitem. Oostelijk de Kortewagenstraat, zuidelijk de Veldstraat en Ledegem, westelijk de (geel gearceerde) Meensesteenweg en Moorslede, noordelijk (niet zichtbaar) de Ieperseweg en de Meerlaerhoek (Detail van de Popp-kadasterkaart van Rumbeke, 1842-79). ![]() De huidige Koolbrandersstraat in Beitem (Bron: Google Street View). Vanaf de 18de eeuw tot ca. 1860 was er, op het grondgebied van het huidige dorp Beitem, een gehucht, de Koolbrandershoek genoemd. De huidige Koolbrandersstraat is er een blijvende herinnering aan. Noordelijk liggen de Ieperweg en het gehucht de Meerlaan (Meerlaerhoek op de Poppkaart), oostelijk de Kortewagenstraat, zuidelijk de Veldstraat en de gemeente Ledegem, en westelijk de Meensesteenweg en de gemeente Moorslede. Op diezelfde plaats verrees in de tweede helft van de 19e eeuw de dorpskern van Beitem. Lansens beschreef het als volgt (P. LANSENS, Alouden staet van Vlaenderen vóór en gedurende het leenroerig bestier, Brugge, 1841. Halfweg de 19e eeuw beschrijven Pieter Lansens (1841) en Victor Huys (1860) de Koolbrandershoek als een marginaal en gevreesd gehucht. "Moorslede, eene parochie in de provincie Westvlaenderen tusschen Yperen en Rousselaere gelegen, beteekent eenen weg die waerschynelyk voor de reyzigers in oude tyden zeer gevaerlyk was, omdat er in die omstreek vele bosschen waren, waerin dikwyls moorders en struykroovers schuylden, die hunne handen door moordery en roof op de openbare wegen bezoedelden (…). Om te bewyzen dat zulks geene ongegronde gissing is, heeft er nog, in de voorledene eeuw, eenen zoo genoemden Koolbrandershoek bestaen, alwaer er in de bosschen zeer woeste en roofzuchtige menschen woonden". "Niet ver van de groote baan, tusschen Meenen en Roeselare, en op ongeveer gelijken afstand van die twee gemeenten, stonden een dertigtal huisjes bedekt met stroo en met wanden van leem en klei; zij hadden tot eenige deur eene ruwxe plank, die en des avonds voor eene opening plaatste, het daglicht drong er binnen door een enkele glasruit, die in een der leemen wanden naast den ingang was vastgezet.... De bewoners van dat gehucht werden Kolenbranders en het gehucht zelvde Kolenbrandershoek geheetn. ![]() Huisje met gravende vrouw. Vincent Van Gogh, 1885 (Chicago, The Art Institute). De bewoners van de Kolenbrandershoek vormden niet enkel een arme, vrij afgezonderde en gemarginaliseerde gemeenschap. In de 19de-eeuwse literatuur werden ze ook afgeschilderd als ruige, roofzuchtige, woeste, vechtlustige, gevaarlijke mensen, die er een "afwijkende" levenswijze op na hielden met eigen gebruiken, ontmoetingsplaatsen, godsdienstige rituelen, enz. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ze in de brede omgeving een vrij kwalijke reputatie hadden bij de plattelandsbevolking, tot zelfs in de 20ste eeuw. De Koolbrandershoek was een gehucht dat ongeveer op de grens van Moorslede, Ledegem en Rubeke lag, dichtbij een bos Tot ca. 1860 was hier een marginaal gehucht bestaande uit hutten, genaamd de Koolbrandershoek, bewoond door families van voornamelijk bezemmakers met een armoedige en primitieve levenwijze. In zijn historische kroniek "Alouden staet van Vlaenderen vóór en gedurende het leenroerig bestier" (1841) schetste Pieter Lansens een ronduit negatief beeld van de bewoners van de Koolbrandershoek, die hij verkeerdelijk situeert binnen de gemeente Moorslede: "Moorslede, eene parochie in de provincie Westvlaenderen tusschen Yperen en Rousselaere gelegen, beteekent eenen weg die waerschynelyk voor de reyzigers in oude tyden zeer gevaerlyk was, omdat er in die omstreek vele bosschen waren, waerin dikwyls moorders en struykroovers schuylden, die hunne handen door moordery en roof op de openbare wegen bezoelden (...). Om te bewyzen dat zulks geene ongegronde gissing is, heeft er nog, in de voorledene (n.v.d.r. 18de) eeuw, eenen zoo genoemden Koolbrandershoek bestaen, alwaer er in de bosschen zeer woeste en roofzuchtige menschen woonden. ![]() De hut. Vincent Van Gogh, 1885 (Amsterdam, Van Gogh Museum). "De Koolbrandershoek, die zoo wel gekend is, mag men zeggen, door geheel Westvlaenderen, ligt aanzijds Moorslede, noord Ledeghem en zuid Rumbeke; grootendeels wyds en zyds omtrent de aloude herberge Sente Pieter, maer niet zoodanig byeen, dat al de huttekens rond malkander staen. Wat schuins over de herberge ziet men er wel dertig, allen op geen tien stappen verscheen gestaan, te midden eener party land, zonder dat er strate of iets naer toe loopt, noch ‘t een hutteken volgens ‘t andere geschikt zy: ‘t is de Schouthoek. Die hoek wierd alzoo genoemd, zegt men, en zoo gebleven, omdat er Pé Bruneel, bygenaemd de Schout, en moordenaer van den schout van Roosebeke, eertijds op woonde. De andere huttekens stonden meer innewaerts lands, en nader Rousselaere en Rumbeke, tot aen en over Sinne Salens-Kruis, verre genoeg van kerke en dorp, en verlaten om zoo te zeggen, byzonderlyk in de slechte tyden van over tzestig en tzeventig jaer. (V. Huys) Links: detail van de Poppkaart van Rumbeke, met centraal de Koolbrandershoek. Rechts het dorp Beitem dat op dezelfde plaats verscheen in de tweede helft van de 19e eeuw (postkaart van rond begin 20e eeuw). De Koolbrandershoek moet gesitueerd worden op het grensgebied van de gemeenten Rumbeke, Ledegem en Moorslede. In Rumbeke vinden we de Koolbrandershoek als toponiem terug in enkele 18e-eeuwse lijsten met parochianen. W. PEENE, Status animarum Rumbeke 1750, Gistel, 1981 en W. PEENE, Status animarum Rumbeke 1766, Gistel, 1985. De Poppkaart van Rumbeke uit de jaren 1840 situeert de Koolbrandershoek in de zuidwestelijke uithoek van de gemeente.
kolenbranderswerkWe kunnen veronderstellen dat de Koolbrandershoek zijn naam dankt aan deze merkwaardige beroepsactiviteit. Het kolenbranden vond plaats in het najaar en de winter. De kolenbranders verzamelden hout dat ze in hopen bij elkaar zetten. De hopen werden dan afgedekt met aarde en vervolgens in brand gestoken. Het resultaat was houtskool die verhandeld werd. De vakkennis werd gewoonlijk overgedragen van vader op zoon. De kolenbranders kenden typisch een soort halfnomadisch bestaan, zoekend naar geschikt hout en houtstapels bijhoudend en brandend op verschillende plaatsten. In de periode van het kolenbranden verbleven ze tijdelijk in een soort hutje dat ze vlakbij hun smeulende houthopen optrokken. (W. VAN DER TAK, Nederlandsche kolenbranders, in: De Kampioen. Orgaan van den Kon. Ned. Toeristenbond A.N.W.B. (1937), nr. 4, pp. 49 e.v.) Volgens een krantenartikel uit 1926 kwamen toen in België geen kolenbranders meer voor. De Gazet van Poperinghe, d.d. 06-06-1926, p. 1. In Frankrijk werd het beroep tot in de 20e eeuw her en der uitgeoefend. Twee postkaarten uit Frankrijk van rond begin 20e eeuw die verschillende stadia weergeven in de bereiding van boshoutskool. Links het klaarmaken van de houtoven. Rechts het aansteken van het vuur. ![]() De oven is klaargemaakt voor de bereiding van boshoutskool (Franse prentkaart, begin 20ste eeuw). Het koolbranden is een van de oudste ambachten van de mensheid wereldwijd, die, volgens krantenartikels, in het eerste kwart van de 20ste eeuw nog hier en daar werd uitgeoefend in onze streken en eveneens in Frankrijk. Het beroep werd dan volledig verdrongen door de opkomst van de steenkool als brandstof voor huiselijk gebruik. De vakkennis van het koolbranden werd gewoonlijk overgedragen van vader op zoon. ![]() Het aansteken van vuur voor de bereiding van houtskool (Franse prentkaart, begin 20ste eeuw). Het koolbranden vond plaats in het najaar en in de winter. De koolbranders sprokkelden en kapten hout in het bos. Met een kruiwagen vervoerden ze het verzamelde hout en zetten het bij elkaar in kegelvormige hopen, met een diameter van 4 tot 6 meter, en circa 2,5 meter hoog. Deze houthopen werden dan afgedekt met een laagje aarde, mos en gras en vervolgens in brand gestoken. Onder een constant gehouden temperatuur tussen 300 en 350° C werd het opgestapelde hout gedurende 6 tot 8 dagen verkoold. Dag en nacht moest de koolbrander erover waken dat de rook géén donkergrauwe maar wél een lichtblauwe kleur had, om te komen tot een geslaagde verkoling. De houtskool werd aangewend voor de verwarming van het eigen huis, werd verkocht aan familie en buren of verhandeld op de markt.
DE SCHOUTHOEK (Ledegem): GLUREN BIJ DE BUREN
![]() Het café St.-Pieter, waarrond V. Huys in zijn roman de koolbranders situeerde (Bron: Google Street View) In zijn immens populaire boek 'De Bende van Bakelandt, of de Rooversbende van ‘t Vrybusch' (Gent, Uitg. A. Kneut, 1860) - waarin historische waarheid en volkslegenden flink door elkaar zijn gehaald! - situeerde Victor L. Huys, pastoor van Zillebeke, de Koolbrandershoek op het grensgebied van Beitem (tot voorbij Sinnesaels kapel), Ledegem (de herberg St.-Pieter) en Moorslede. ![]() Hutten. Vincent Van Gogh, 1883 (Amsterdam, Van Gogh Museum). Huys vereenzelvigde de Koolbrandershoek tot op zekere hoogte met de Schouthoek. "De Koolbrandershoek, zoo wel gekend mag men zeggen door geheel Westvlaenderen, ligt ter zyden Moorslede, noord Ledeghem en zuid Rumbeke (n.v.d.r. het dorp Beitem), grootendeels wyds en zyds de aloude herberge St.-Pieter; maer niet zoodanig byeen, dat al de huttekens rond malkander staen. Slechts wat schuins over de herberge ziet men er wel dertig, allen op geen tien stappen verscheen, te midden eener party land, zonder dat er strate of iets naer toe loopt, noch ‘t een hutteken volgens ‘t andere geschikt zy: ‘t is de Schouthoek... De andere huttekens stonden meer innewaerts het land, en nader Rousselaere en Rumbeke tot aen en over Sinne Salens kruis, verre genoeg van kerke en dorp, en verlaten om zoo te zeggen, byzonderlyk in de slechte tyden van over zestig en zeventig jaer." (V. Huys)Sommie leden van de bende leurden met bezems om informatie op te doen en aldus een inbraaf, diefstal voor te bereiden Linda: "Deze Schouthoek ligt grotendeels op grondgebied Ledegem, maar voor een deel ook op Moorslede, namelijk van de grens met Ledegem tot aan de Tuimelarestraat, al wordt dit deeltje van Moorslede in sommige periodes ook bij de Tuimelarehoek gerekend. Ooit stonden daar een 40-tal huisjes uit leem, meestal bewoond door bezembinders, die hun hout haalden in het Vrijbos in Houthulst, zo’n 18 km ver. Ze waren dikwijls ’s middags al weer thuis, beladen met een last van 50 tot 70kg en met een groot gekromd mes aan hun riem. Ze hadden een eigen taal en waren zeer werklustig. (Georges Boutten)" De muren waren meestal van 'plak en stak' = palen met ertussen gevlochten twijgen, beplakt met mortel ![]() Bezemverkoopster (Bron: Raoul Boucquey).
De koolbranders leefden grotendeels zelfbedruipend, maar niet helemaal. Er moest geld in het laadje komen voor de aankoop van levensmiddelen, huisraad, e.d. Daarom trokken, zowel de mannen als de vrouwen, meestal in groep, in de zomerperiode met bezems of een deel van hun gebrande koutskool in jutezakken naar de markt ofwel leurden ze ermee van deur tot deur, om zo aan de kost te komen. Ze waren vaak dagenlang weg van huis om hun voorraad 'marchandise ' aan de man brengen. Waarschijnlijk leefden de bezemakers van de Schouthoek en de kolenbranders uit de Kolenbrandershoek van illegaal verkregen hout, temeer omdat ze vaak vermeld worden als arm en dus allicht hun grondstoffen niet konden betalen. Bij de bezemmakers treffen we personen aan die met het gerecht botten. ![]() Bezemverkoopster (Borms, gekleurde pentekening, begin 19de eeuw. Den Haag, KB). Deze Schouthoek vinden we op de Poppkaart van Ledegem uit de jaren 1840 terug als een gehucht tegen de gemeentegrens met Moorslede. Oostelijk ligt de Provinciebaan, zuidelijk de Moorsledestraat en westelijk paalt het aan de gelijknamige straat. Bij uitbreiding rekent Huys ook de ruimere omgeving tot de Koolbrandershoek of Schouthoek, onder andere rond de herberg Sint-Pieters te Ledegem, (De herberg Sint-Pieters ligt op het kruispunt van de Provinciebaan, de Moorsledestraat en de Groene Jagersstraat. ) en de omgeving van het huidige Beitem te Rumbeke. Sinne Salens kruis waar Huys het over heeft betreft de latere Sinnesaels-kapel in het dorpscentrum van Beitem (grondgebied Tuimelare (Moorslede). Detail van de Poppkaart van Ledegem. Links de Schouthoek en de omgeving van de herberg Sint-Pieters. Rechts een detailopname van de Schouthoek. het bezembinden![]() Een beoefenaar van de uitgestorven stiel van bezembinder. Het beroep van koolbranden werd vaak gecombineerd met dat van bezembinden of borstels maken. In verband met de Koolbrandershoek schrijft Victor Huys: "Het blyft altyd vast dat, gelyk de buschkanters van Clercken en de nieuwmarktnaers van Rousselaere, het een volk op zyn eigen is, met zyne byzondere gewoonten, zyn werk en zyne traditien... 't Waren al bezemverkoopers, die hun hout, en vele andere dingen er bij, namen waer zij vonden: men zou nog moeite hebben om er een van die huttekens te vinden, waer geen bezems in gemaekt worden. Werkt de man op het land, moeder versterkt bezemhout of legt het gereed, en, den laetsten dag van de weke, reist men er mee rond, zonder weder, afstand of moeite te ontzien". ![]() Een bezemmaker uit het Bretonse plaatsje Plogonnec (Prentbriefkaart, einde 19de eeuw). In de winterperiode, wanneer er geen loof aan de takken hing, drongen de bewoners van de Koolbrandershoek het nabijgelegen bos binnen om er de grondstoffen te sprokkelen of te stelen voor het maken van 4 soorten van bezems:
![]() Bezembinder (P. H. van Arum. Ingekleurde koperets, 1826). Men verzamelde in het bos ook dikke berkentakken om te gebruiken als bezem- of borstelsteel. En ook spinthout, d.i. de buitenste, nog niet verharde jaarring onder de schors van eiken, om er de bezems mee samen te binden. Nadat ze zo'n 50 à 70 kg sprokkelhout en planten bij elkaar hadden gesprokkeld, keerden ze terug naar huis, met hun vracht op de rug, vastgebonden met een riem in de lenden. Daaraan was een groot mes met gebogen lemmet ('krommes ') vastgehecht. Daarna begon het eigenlijke bezembinden. Dat was erg zwaar werk, omdat elke bundel (bos) berkentwijgen strak moest worden aangetrokken. De voor een bezem bestemde takkenbos werd eerst met een touw stevig samengebonden en daarna op twee of drie plaatsen met wilgentwijgen ofwel met repen jonge eikenschors, later met ijzerdraad flink ingesnoerd. Naarmate de twijgen afsleten kon men telkens een van die bindringen verwijderen. De bezembinder zaagde vervolgens het boveneinde van de takkenbos recht, sloeg er een aangescherpte steel midden in en daarmee was de bezem klaar. Een handige bezembinder maakte zo meer dan 100 bezems per dag! De familie De Meyere blijkt zo’n typische bezemmakersfamilie te zijn. De verste stamvader van deze familie die we terugvonden, was Maerten De Meyere (ca. 1638-1733), een behoeftige bezemmaker uit Ledegem. Onder zijn nakomelingen vinden we tot bijna twee eeuwen later verschillende personen of gezinnen terug die eveneens leefden van het bezemmaken, en die ook vaak arm waren. De familie verspreidde zich vanuit Ledegem vooral over Rumbeke en Moorslede. Verhuizingen vonden vaak plaats tussen deze drie gemeenten. Verschillende gezinnen werden uitdrukkelijk vermeld als wonend in de Koolbrandershoek. Een bijzonder beroep dat we in deze familie aantreffen, is dat van kolenbrander of kolenhandelaar. Dit werd meermaals gecombineerd met het bezemmaken. Volgens Lansens en Huys lag de Koolbrandershoek vóór circa 1800 in een bosrijk gebied. Op de Ferrariskaart uit de jaren 1770 merken we inderdaad enkele bossen in de nabije omgeving, zoals het Veldt Bosch en het Capelle Bosch. De aanwezigheid van bossen verklaart wellicht de diverse bezemmakersgezinnen te Ledegem aan het begin van de 18e eeuw. G. TAVERNIER, Bezemmakers in de kasselrij Ieper begin 18de eeuw, in: Westhoek (2012), nr. 2, pp. 203-227. Blijkens landkaarten uit die periode lag de Koolbrandershoek in een bosrijk gebied. Op de Ferraris-kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden (1770) zien we enkele bossen in de onmiddellijke omgeving, o.m. het uitgestrekte ''t Veldt Bosch '. Het is bekend dat gezinnen van koolbranders en bezembinders, bij ons en elders in Vlaanderen, zich bij voorkeur in het randgebied vestigden van bossen, omdat ze daar het gemakkelijkst (maar daarom niet legaal!) het materiaal konden vergaren voor de uitoefening van hun beroep. We merken opvallende gelijkenissen tussen de familie De Meyere uit de koolbrandershoek en andere typische bezemmakersfamilies uit de omgeving van Houthulst uit dezelfde periode. Vooral in Klerken en Zarren, vlakbij het Houthulstbos, kwamen toen veel arme bezemmakers voor, die er een eerder ongebonden en delinquent bestaan op nahielden. De bezemmakers uit de omgeving van Houthulst leefden van het stelen van hout. Ze kwamen vaak in aanvaring met het gerecht. Daarbij moet opgemerkt worden dat de neiging tot delinquentie in sommige gezinnen of families sterker was dan in andere. G. TAVERNIER, Het duistere verleden van het Houthulstbos: Geschiedenis van de boskanters uit de omgeving van het Houthulstbos (18e-19e eeuw), Brugge, 2011 (online te raadplegen op http://www.uncius.be/wh7/bestanden_en_beelden/manuscript_boskanters.pdf). V. HUYS, Baekeland, of de rooversbende van ’t Vrijbusch: West-Vlaemsche legenden, Gent, 1860. In zijn populaire boek uit 1860 over de bende van Bakelandt, waarin Victor Huys historische waarheid en fictie of legenden vermengde, situeert hij de Koolbrandershoek te Ledegem, dichtbij Moorslede en Rumbeke. Volgens Huys waren de vroegere bewoners bezemmakers met een armoedige en primitieve levenswijze. ![]() Huisjes bij nacht. Vincent Van Gogh, 1884 (Amsterdam, Rijksmuseum). In zijn bekende Baekelandt-boek geeft pastoor V. Huys een erg sfeerrijke en evocatieve beschrijving van de armoedige huizenbouw in de fameuze Koolbrandershoek, die deels in Beitem was gelegen. Volgens pastoor V. Huys en de meeste schrijvers van zijn tijd leefden de koolbranders in armoedige omstandigheden aan de rand van het bos in primitieve huisjes, van "plak en stak" zoals dat heette, d.w.z.opgetrokken in leem, palen en planken, leem en stro. "Halfwege Meenen en Rousselaere, ziet men langs de groote bane een aental kleene huizekens staen, alle niet verre van malkander, zonder order of schikking daer geplaetst, ‘t eene regte, ‘t andere krom, maer allen even kleene en arme... De inwooners, zonder uitneming, waren eertyds eigenaers van hun hutteken met eigene handen gemaekt; het meeste deel zyn eigenaers gebleven. 't En was niet moeijelyk om zich zulk een paleis te bouwen: vier dikke persen aen de vier hoeken, met wat kleendere tusschen, die men kapte zonder onkost in den naesten bosch; eenige wissen of takken van dweersten, en alles gedoken in een kleed van slyk, dat moortel had moeten zyn, en 't was al. Voor wat deuren aengaet, zy hadden geene, zy gededen het met eene planke, en de vensters bestonden uit eene enkele ruite, waerschynlyk de meeste welke zy gevonden of gestolen en vast geplakt hadden, tusschen het slyk der mueren (V. Huys) De muren waren meestal van 'plak en stak' = palen met ertussen gevlochten twijgen, beplakt met mortel Het blyft altyd vast dat, gelyk de buschkanters van Clercken, en de nieuwmarktnaers van Rousselaere, het een volk op zyn eigen is, met zyne byzondere gewoonten, zyn werk en zyne traditien. Van te vooren waren ‘t al bezemverkoopers, die hun hout, en vele andere dingen er by, namen waer zy vonden: men zou nog moeite hebben om er een van die huttekens te vinden, waer geen bezems in gemaekt worden. Werkt de man op het land, moeder maekt ze of legt ze gereed, en den laetsten dag van de weke, reist men er meê rond, zonder weder, afstand of moeite te ontzien. Iets dat aerdig schynt is, dat er schier op al de groote dorpen uit het midden van ons Vlaenderen, een gehuchte bestaet van vreemden name, daer volk woont geheel verschillend van aerd met de andere menschen uit het omliggende. Zulke hoeken zyn doorgaens gekend voor de boos- of ruwheid der menschen: men werkt er niet ‘lyk elders, men leeft er niet ‘lyk elders. (V. Huys) Ze namen het niet zo nauw met de wet en een aantal onder hen waren heuse boosdoeners. Waarschijnlijk leefden de bezemmakers en kolenbranders uit de Koolbrandershoek eveneens van illegaal verkregen hout, temeer omdat ze vaak vermeld worden als arm en dus allicht hun grondstoffen niet konden betalen. Ook bij de bezemmakers uit de Koolbrandershoek treffen we personen aan die met het gerecht botsten. Het is dan ook, volgens Huys, niet vreemd dat inwoners van dit gehucht lid waren van de beruchte roversbende van Bakelandt: "Goede en eenvoudige menschen woonden er zekerlyk; maer niemand zy verwonderd dat er vele aerdige tusschen liepen, vele dieven, en eenige moordenaers. Baekeland had er van zyn volk, en van de stoutste uit: onder andere, vyf van daer hebben hun hoofd op het schavot gelaten. De capitein (Baekelandt) en zyn volk hadden hunne huizen, hunne vergaderingen en hunne herberge by de koolbranders; hy kwam er somtyds, niet dikwyls, maer nu meer dan voortyds, om altyd weg en weêr te zyn, en zoo veel mogelyk, door veranderen van plaetse, aen de oogen en de klauwen der gendarms te ontsnappen. De vergaderplaets der roovers was eene herberge, die achter Sinte-Pieters stond, langst een strate die naer den Peene-Molen liep, ten zuiden van Ouckene; niet verre van daer was er een donker bosselken, en dikke hagen, die zeer voordeelig gepast waren om kwaeddoeners te verduiken". (V. Huys) Zo vond Tavernier bij de familie De Meyere zes personen die in de 19e eeuw een veroordeling opliepen voor het West-Vlaams Assisenhof, waaronder drie personen als lid van de bende van Bakelandt. Deze bendeleden betroffen twee broers en hun verre oom. Stamboom van de familie De Meyere uit Ledegem, Rumbeke en Moorslede Deze stamboom is in de eerste plaats gebaseerd op akten van de parochieregisters en registers van de burgerlijke stand, hoofdzakelijk van de gemeenten Ledegem, Rumbeke en Moorslede. Andere bronnen worden in de voetnoten vermeld. Hier volgt een stamboom van de familie De Meyere. Tussendoor staan enkele schema’s met specifiek deze personen die bekend staan als bezemmaker of kolenbrander, die armoede leden, of met het gerecht in aanvaring kwamen. Tenminste voor zover we dit te weten kwamen, want de verzamelde gegevens zijn fragmentarisch op dit vlak. De stamboomgegevens bevestigen de indruk dat het beroep van bezembinder of kolenbrander eerder samenging met een leven aan de rand van de reguliere samenleving. Het leefgebied van deze familie situeert zich vooral in of rond de Koolbrandershoek, waar de gemeenten Ledegem, Rumbeke en Moorslede samenkwamen.
De roversbende van Baekelandt
Het bekendste en meest gelezen boek over de beruchte bende van Bakelandt is zeker Bakelandt of de Rooversbende van het Vrijbusch. Westvlaemsche legenden (1860) van Victor Huys (Geluwe 1829 - Zillebeke1905), pastoor van Zillebeke en goede vriend en leeftijdgenoot van priester-dichter Guido Gezelle. De verhalen uit dit boek verschenen eerst in feuilletonvorm in het Brugse dagblad "Standaerd van Vlaenderen". Hiermee had hij onmiddellijk succes. Zijn studiegenoot en goede vriend Guido Gezelle droeg bij tot het succes van het boek door toevoeging van de tekst van 2 liederen over Baekelandt, die konden gezongen worden op een bekende melodie De vervolgverhalen werden uitgegeven in boekvorm. Het boek kende meerdere herdrukken. Het boek van Huys inspireerde vele andere schrijvers die ook verhalen maakten over Bakelandt. In zijn voorrede waarschuwt Huys de lezer dat lang niet alles in zijn boek historisch is, en dat zijn enige doel was in eigen Vlaamsche taal een aangenaem boek te schrijven. Huys gaf aan dat hij zich baseerde op legenden die hij her en der opving. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de 20ste eeuw allerlei mondelinge sagen bestonden die een verband legden tussen de boskanters of leurders van het Houthulstbos, en de bende van Bakelandt. Stefaan Top publiceerde in 1964 een groot aantal sagen uit de omgeving van het Vrijbos (Houthulst, Staden, Langemark, …). Daaronder ook heel wat historische legenden over rovers en roversbenden, in het bijzonder ook over de bende van Bakelandt, en het verband met de plaatselijke boskanters of leurders. Heel wat tegenstrijdige verhalen verteld over deze legendarische figuur. Soms voorgesteld als een wrede moordenaar en bendeleider, die diep in het Vrijbos woonde,soms als Robin Hood? In werkelijkheid probeerde hij als kruimeldief te overleven in armoedige tijden en kreeg hij daarvoor een heel zware straf. Wat zou die nu krijen? Baekelandt werd geboren in Lendelede op 17 januari 1774. Vanaf zijn 6de jaar werd hij uitbesteed bij een boerenezin, werd later boerenknecht Hij was wever van beroep, maar hij gaf zich in 1799 op als vrijwilliger bij het Franse Republikeinse leger. In die tijd werd je uitgeloot voor de legerdienst. De rijken betaalden dan een arme om de plaats van hun zoon in te nemen. Liet zich als plaatsvervanger inlijven in het Frans leger, omdat hij daar als vrijwilliger geld voor ,kreeg Baekelandt kon niet wennen aan de militaire orde en tucht, en deserteerde echter algauw en dook onder in het Houthulstbos. hield zich schuil in de uitgestrekte bossen van West-Vlaanderen. Daar werkte hij zich op tot koelbloedige, sluwe leider van een bende met ijzeren hand bestuurde, en verantwoordelijk was voor heel wat criminele feiten, niet in het minst enkele drieste moorden. die inbraken, overvallen en moorden pleegde. In Staden (dat paalt aan vrijbos), waar van oudsher een boskanterskolonie was (de gehuchten Stadenreke en de Vijfweg), ook in Langemark, In het Vrijbos in Houthulst en in de Munkebossen in Tielt-Pittem zal hij ook wel geweest zijn (dit zijn de plaatsen die door de mensen steeds in verband gebracht worden met de Bende van Baekelandt), maar hijzelf had geen vaste verblijfplaats. Leidde een rondzwervend bestaan. De overige bendeleden bleven gewoon in hun huis wonen en ze hadden nu en dan hun leider te gast voor enkele dagen. Er werd veel afgesproken in kroegen. Baekelandt stond aan het hoofd van een bende met 33 leden, waaronder 8 vrouwen. Doch wanneer je er de medeplichtige kroegbazen bij telt, kom je algauw op 50 uit. Hun wapenfeiten: struikroverij, diefstal, inbraak en roofmoord. Baekelandt en zijn trawanten haden het vooral gemunt op eten (als er ergen een varken in een kuip lag, namen ze het mee), geld en kleding, Leden van de bende waren bedelarars bedelaressen, leurders, bezemmakers , kolenbranders, die tegelijk leurders waren, rondtrekkende handelaars die van huis tot huis, en werden aanzien als informanten van de bende van Baekelandt. leurden om inforatie te verschaffen en een inbraken voor diefstallen voor te bereiden. Tal van leden leurden met bezems om te weten te komen welke mensen geld in huis hadden, waar de mensen hun geld of waardevolle spullen dingen (juwelen) verborgen hielden. en konden op die manier boorderijen bestuderen, waar ze een inbraak wilden pleen. Andere gingen werken als knecht hun diensten aanbioeden op een boerderij om informatie in te winnen, of om 'sn nachts andere rovers binnen te laten Ook reizigers die geld bij zich hadden werden niet gespaard, uitgeschud. Proces dat begon op 3 augustus 1803 in het Brugse Assisenhof gerechthof. (met jury) intussen opgesloten in de gevangenis van het Brugse Vrije. 28 bendeleden stonden terecht op het proces. Bendeleden die op het proces terechtstonden Op 20 augustus 1803 werden ze ter dood veroordeeld Het vonnis was bijzonder streng: - 24 leden, 21 mannen en 3 vrouwen kregen de doodstraf (door onthoofding op het schavot) kregen de doodstraf - de andere (1 man en 3 vrouwen) werden veroordeeld tot 6 uur de schandpaal plus 16 jaar dwangarbeid (de 'ijzers' voor de man) of tuchthuis/gevangenis (voor de 3 vrouwen) ===
Het dossier met betrekking tot de bende van Bakelandt bevestigt dat vijf van de drieëndertig leden afkomstig waren uit de Koolbrandershoek. Het betroffen Pieter Bruneel, Barbe Bruneel, Pierre Jean De Meyere en de broers Pieter Jacobus en Pieter Jozef De Meyere. Alle vijf waren bezemmaker en allen werden ze in 1803 ter dood veroordeeld wegens zware criminele feiten (S. TOP, De bende van Bakelandt in de geschiedenis, de literatuur, het volkslied en het volksverhaal. Kortemark-Handzame, 1983.) Linda: de meeste mensen op de Tuimelare weten dat er leden van de bende van Baekelndt woonden op de Schouthoek 3 leden woonden in Ledegem, waarvan 1 op de Koolbrandershoek. - Pieter Bruneel, bijgenaamd "Pee Bruneel", ook "de Schout", 25 jaar, bezemmaker en daghuurman, geboren en wonende in Ledegem Het moeten dus de overige 2 geweest zijn die op de Schouthoek woonden. Het waren broers, zoons van Pierre-François of Petrus Franciscus De Meyere en Catharina Verschoore. Ze heetten: Beiden waren ongehuwd en woonden nog bij hun ouders. Twee zonen van Pieter-François De Meyere (1748-1816) en Catharina Verschoore. Beiden waren ongehuwd en woonden nog bij hun ouders". - De Meyere Petrus (Pierre) Joseph, alias t’Jotten (ook Sotten) Meyer Pieter (Petrus)-Jozef (Joseph) De Meyere, 26 jaar bij veroordeling, bijgenaamd "De Pekker" of "'t Jotten Meyer" ook 'Sotten Meyer"), deserteur, bezemmaker en dagloner, geboren en wonende (bij de ouders of bij enkel de vader) te Ledegem. Deserteur. (Ledegem 16/1/1777- 1803) Tot de doodstraf veroordeeld wegens betrokkenheid als mededader bij een roofoverval op een hoeve in Passendale. Daarnaast werd hij schuldig bevonden aan diefstal met inbraak in de nacht van 5 à) 6 aart 1802 in de woning van Francois Sabbe in Moorslede. Werd gesnapt doordat hij bij de inbraak bij boer François Sabbe in Moorslede zijn schoenen had laten staan! Ze werden herkend door de schoenmaker die ze vervaardigd had. Bezembinder en dagloner Deserteur 26 jaar bij veroordeling Petrus Joseph werd gesnapt doordat hij bij de inbraak bij boer François Sabbe in Moorslede zijn schoenen had laten staan! Ze werden herkend door de schoenmaker die ze vervaardigd had. - De Meyere Petrus (Pierre) Jacobus (Jacques), alias Pietje Meyer Pieter (Petrus)-Jacob (Jacobus) De Meyere, was ook gekend onder de bijnaam "Pietje Meyer", 22 jaar bij veroordeling, bezembinder, geboren en wonende te Ledegem, bij ouders, of bij de vader alleen? ( Ledegem 27/8/1779-1803) Tot de doodstraf veroordeeld voor zijn betrokkenheid als mededader bij 2 roofovervallen (o.m. de rooftocht bij P. F. Depuydt in Passendale, met uit- en inwendige inbraak en geweldpleing tegenover de bewoners.. Bezembinder 22 jaar bij veroordeling - Pieter-Jan De Meyere, bijgenaamd "Waen Meyer", 51 jaar, (Rumbeke, 30/1/1752-1803) verre oom van de gebroeders van Schouthoek. Werkman, ongeletterd. (zoon van Martinus De Meyer en Maria Jonckheere), bezemmaker, geboren te Rumbeke (Beitem), woonde tijdlang in Passendale en van ongeveer 1786 tot 1803 te Moorslede, in de omgeving van de herberg 'het Meyboomke', in de wijk de 'Droogen Broodhoek'. Ter dood veroordeeld voor mededader te zijn van 2 roofovervallen (dezelfde van Pieter De Meyere, zie hieronder) op 2 november 1803 werden alle 24 (in totaal 21 mannen en 3 vrouwen), onthoofd op de Grote Markt in Brugge alle 24 werden terechtgesteld op 2 november 1803 . Baekelandt was amper 29 jaar toen hij ter dood werd veroordeeld. (verslag 's anderendaags in de "Gazette van Brugge") Men kan zich afvragen welke straf ze heden ten dage zouden krijgen: een geanenisstraf, mogelijk een enkelband, wat vrijwilligerswerk, een bezoek aan de Dossinkazerne, heropoedingsproject doorlopen Ze werden onthoofd op de guillotine (die de stad Brugge had sinds 1796). De guillotine die nu in het Gruuthusemuseum in Brugge staat was het niet toen gebruikte exemplaar van 1796, maar wellicht de die van Antwerpen, die in 1856 werd aangekocht. Die van Gruuthuse werd begin 19e eeuw geconstrueerd en goed bewaard gebleven (enkel het ontgrendelingsmechanisme aan de zijkant van de staander ontbreekt). Deze guillotine werd voor het laatst in 1862 gebruikt bij een executie. ================== ![]() Huisjes tussen bomen. Vincent Van Gogh, 1883 (Warschau, Mus. Coll. Johannes Paulus II). ![]() De avond. Vincent Van Gogh (naar J.-F. Millet), 1889 (Amsterdam, Van Gogh Museum). ![]() De aardappeleters. Vincent Van Gogh, 1885 (Amsterdam, Van Gogh Museum). ![]() Boer met kruiwagen. Jean-François Millet, 1848 (Indianapolis, Museum of Art). Ook pastoor Victor Huys verwoordde de aparte levenswijze en het negatieve imago van de koolbranders in zijn boek over "De Bende van Bakelandt" als volgt: "Iets dat aerdig schynt is, dat er schier op al de groote dorpen uit het midden van ons Vlaenderen, een gehuchte bestaet van vreemden name, daer volk woont geheel verschillig van aerd met de andere menschen uit het omliggende. Zulke hoeken zijn doorgaens gekend voor de boos- of ruwheid der menschen : men werkt er niet lyk elders, men leeft er niet lyk elders: de arme lieden en komen er nooit tot den staet welken men zoo wel noemt: op zyn gemak zyn; zy blyven altyd even bot, even nooddruftig". Was hun kwalijke reputatie wel helemaal terecht?![]() Een koolbrandersgezin (19de-eeuwse postkaart uit het Franse Aix-en-Othe). In de 19de eeuw was het wantrouwen en de achterdocht groot tegenover de koolbranders, die zich onderscheidden door een aparte levenswijze. Buitenstaanders schreven hen een aantal negatieve kenmerken toe, zoals neiging tot diefstal, weinig scrupuleus, agressief, sluw, enz. Men moet er echter aan toevoegen dat het ging om mensen die dicht bij de natuur leefden, met een aantal positieve eigenschappen, zoals spontaneïteit, onomwonden ('platof ') zeggen wat men denkt, het belang hechten aan het familieleven, een sterke onderlinge solidariteit binnen de eigen gemeenschap. De koolbranders leefden bewust afgezonderd van de buitenwereld, ze mengden zich niet met de hen omringende wereld, behalve om te leuren en handel te drijven in hun eigen streek. Ze hielden hun geïsoleerd bestaan in stand door systematisch te huwen met iemand uit de eigen gemeenschap. Ze waren gesteld op hun vrijheid en onafhankelijkheid. Ze bleven trouw aan eigen haard, huis en erf, ze leefden liever als arme koolbranders en bezembinders, zonder veel geld te verdienen, dan ergens elders in loondienst te werken. ![]() Huisjes met strodaken. Tekening van Vincent Van Gogh. De koolbranders namen het niet zo nauw met het naleven van de wet. Sommigen kwamen in aanvaring met het gerecht. Ze woonden binnen de verboden zone van een halve mijl rond het bos. Ze trokken het woud in om er hout te stelen en wild te stropen; omdat ze vonden dat het bos van hen was. "'t Busch is gegeven geweest voor de arme menschen" luidde een oud gezegde. Ze waren ervan overtuigd dat een vroegere heerser hen het privilege had geschonken om vrij en gratis gebruik te maken van het bos. Volgens de ene overlevering was dat de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia (18de eeuw), volgens een andere Keizer Karel V. ![]() Een kolenbrander (Tekening, anoniem). Er was criminaliteit in de Koolbrandershoek, dat wel. Maar halfweg de 19de eeuw beleefde Vlaanderen een zware economische crisis. De extreme ellende dreef vele armen tot het plegen van diefstallen om te eten en te overleven. Onder de arme bewoners van de Koolbrandershoek was delinquentie lang niet algemeen verspreid, maar bleef beperkt tot bepaalde gezinnen of families. Dat mag blijken uit de verhalen over de beruchte bende van Baekelandt. Victor Huys, pastoor van Zillebeke, schreef in 1860 het toen waanzinnig populaire boek: "Baekelandt of de Rooversbende van het Vrybusch", waarin zowel waar gebeurde historische feiten als legenden door elkaar werden verweven. Het hoofdpersonnage, Lodewijk Baekelandt - een deserteur uit het Franse leger - , leefde veelal ondergedoken in het bos van Houthulst ('Vrybusch '). Daar werkte hij zich op tot leider van een sluwe roversbende, die op het einde van de 18de eeuw een deel van West-Vlaanderen onveilig maakte met inbraken, diefstallen, brandstichtingen en overvallen. De bende had het vooral gemunt op eten, geld, juwelen en kleding. Baekelandt en zijn trawanten waren ook verantwoordelijk voor het plegen van heuse criminele feiten, waaronder mishandeling en zelfs enkele drieste moorden. Pastoor Huys beschrijft hoe Baekelandt ook in de Koolbrandershoek actief was en er leden van zijn bende recruteerde en in het grootste geheim ontmoette: "Goede en eenvoudige menschen woonden er zekerlyk; maer niemand zy verwonderd dat er vele aerdige tusschen liepen, vele dieven, en eenige moordenaers. Baekeland had er van zyn volk, en van de stoutste uit: eenige waren nieuwelyks in de bende gelyfd; meestal behoorden er sedert lange aen toe; en onder andere, vyf van daer hebben hun hoofd op het schavot gelaten. De kapitein en zyn volk hadden hunne huizen, hunne vergaderingen en hunne herberge by de koolbranders; hy kwam er somtyds, niet dikwyls, maer nu meer dan voortyds, om altyd weg en weêr te zyn, en zoo veel mogelyk, door veranderen van plaetse, aen de oogen en de klauwen der gendarms te ontsnappen. De vergaderplaets der roovers was eene herberg, die achter Sinte-Pieters stond, langst een strate die liep naer den Peene-Molen ten zuiden van Ouckene; niet verre van daer was er een donker bosselken, en dikke hagen, zeer voordeelig om kwaeddoeners te verduiken".Maar liefst 5 bezemmakers van de Koolbrandershoek maakten deel uit van de beruchte roversbende van Lodewijk Baekelandt. Het ging om één vrouw, Barbara Bruneel, en 4 mannen, Pieter (Pé) Bruneel, Pieter Jan De Meyere en de broers Petrus-Jacobus en Petrus-Jozef De Meyere. In 1803 werden ze alle vijf, samen met 19 andere bendeleden, inclusief Lodewijk Baekelandt, ter dood veroordeeld wegens criminele feiten (o.m. struikroverij, diefstallen met inbraak, en ook doodslag en moord), en vervolgens, onder grote publieke belangstelling, onthoofd onder de guillotine op de markt van Brugge. =============== Pieter Domien Cracco. Baekelandt en zijne talrijke bende in eene groote uitgestrektheid van West-Vlaanderen tijdens het einde der XVIIIe en het begin der XIXe eeuw. (6de verbeterde uitgave) Gent, Snoeck-Ducajou, 1870 over Lodewijk Baekelandt Pieter Bruneel, bijgenaamd de Schout, zoon van Pieter , boerenwerkman en bessemmaker, geboren en wonende te Ledegem, op het gehucht genaamd den Kolenbrandershoek. Verscheidene naeenvolgende aanslagen. Zie hier eenige feiten die wij sedert onze eerste uitgaaf van geloofweerdige personen vernomen hebben . De rooversbende verdeelde zich doorgaans, om hare strooperijen gelijktijdig in verscheidene plaatsen uit te oefenen . Busschaert , vader of zoon, was dienstknecht bij Jan Rommelaere, te Moorselede . Rommelaere kreeg kwaad vermoeden van Busschaert, omdat hij twee naeenvolgende nachten zijn bed ijdel vond. Deze omstandigheid maakte den landbouwer diep ongerust ; hij trachtte Busschaert met een zoet toomtje uit de landhoeve te verwijderen , hetgene hem gelukte . Maar de verdwijning van den roover bevrijdde hem daarom niet van geplunderd te worden . Eenige dagen daarna drongen de roovers in de ovenbeur . Zij stolen uit de kuip al het natte waschgoed, en in den koeistal namen zij een kalf. Van daar hadden de roovers zich begeven naar den Koekoek, in dezelfde gemeente. Zij poogden daar binnen te dringen ; maar het gerucht dat zij maakten , ontwaakte den baas en de andere lieden van het huis , die zich met geweren wapenden, en door de opening, die de kwaaddoeners reeds gemaakt hadden , op hen begonnen te schieten . De roovers schoten insgelijks , maar namen toch de vlucht . Na nauwkeurig onderzoek bleek het dat van beide kanten niemand was getroffen geworden . Pieter Bruneel, bijgenaamd Pee Bruneel, ook De Schout, zoon van Pieter en van Joanna Toerlinck, oud omtrent vijf-en -twintig jaren, bessemmaker en daghuurman , geboren en wonende te Ledeghem ; - Pieter-Jozef de Meyer, bijgenaamd ' t Jotten Meyer, zoon van Pieter-Francies en van Catharina Verschoore , oud zes-en-twintig jaren , bessemmaker, geboren en wonende te Ledeghem ; - Pieter-Jacob de Meyer, zoon van PieterFrancies en van Catharina Verschoore , oud een-en-twintig tot twee-en -twintig jaren , bessemmaker, geboren en wonende te Ledeghem ; - Pieter-Jan de Meyer, bijgenaamd Waen Meyer, zoon van Martin en van Maria Jonckheere , oud een-en-vijftig tot twee-en-vijftig jaren, bessemmaker, geboren te Rumbeke en wonende te Moorselede ;
|