Zoek op deze site met FreeFind

Hondenkarren van weleer

Jules en Gery Grymonprez met Bella en de bierkar van de Tuimelare.
Jules en Gery Grymonprez met de trekhond Bella en de bierkar van de Tuimelare (foto: Linda Malfait).

Overal in de wereld zijn doorheen heel de geschiedenis, tot op de dag van vandaag, bepaalde dieren gebruikt als rijdier voor de mens en/of als transportmiddel voor goederen. Denken we maar aan het paard, de ezel, de muilezel, de pony, de os, de kameel, de dromedaris, de olifant, enz. Door een toenemende motorisering van het vervoer en door strengere wetten inzake dierenbescherming ziet men in het dagelijks verkeer nagenoeg geen dieren meer die nog lasten moeten dragen of trekken, behalve dan op moeilijk begaanbaar terrein, zoals bergen, sneeuwvlakten of woestijngebieden.

Miniatuur uit het Maastrichter Getijdenboek.
Miniatuur uit het Maastrichter Getijdenboek. Begin van de 14de eeuw (© Wikimedia Commons).

De mens heeft in de loop der jaren ook kleinere diersoorten voor z'n karretje gespannen. Honden dienden van oudsher vooral als trouwe huisdieren, als goede bewakers van een huis of kudde of als ijverige hulpjes om mee op jacht te gaan. Maar in tal van Europese landen waren honden eveneens een dankbaar hulpmiddel om kleine vrachten te trekken. Men schakelde ze in als werk-, trek- of rijdier, niet enkel op het platteland maar ook in de steden. Geen enkel land telde zoveel trekhonden als België. Hun aantal werd in het begin van de vorige eeuw geschat op minstens 150.000 !

Twee hondenkarretjes. Carles Rochussen. 1855.
Twee hondenkarretjes (Charles Rochussen, 1855. Amsterdam, Rijksmuseum).

Hondenkarren maakten in onze streken ooit een heel normaal deel uit van het straatbeeld, net zo vanzelfsprekend als de hedendaagse sledehonden in de poolgebieden. Heden ten dage kan je ze enkel nog zien rondrijden op oude miniaturen, schilderijen, etsen en vooral postkaarten. Hier en daar staat nog een overgebleven én helemaal gerestaureerd exemplaar van een hondenkar tentoongesteld. De hondenkar is dus definitief een museumstuk geworden of slechts te bewonderen bij bepaalde educatieve of folkloristische evenementen.

Vanwaar het vroegere succes van de hondenkar?

Vrouw met hondenkar in de Statiestraat in Moorslede.
Vrouw met hondenkar, gespot in de Statiestraat, toen nog een landelijke kasseiweg met hoge populieren, in Moorslede.

Linda Malfait: "Wie in de 19de eeuw geen paard of ezel kon betalen als lastdier (en dat was bijna de hele bevolking!), maar wel een stoot- of handkar, schakelde over op een hondenkar. Een hondenkar stond niet voor niets bekend als "het rijtuig van de armen". Wie zich geen paardenkracht kon veroorloven gebruikte de veel goedkopere trekkracht van de hond. Die hond stelde bovendien geen hoge eisen aan voeding, onderhoud en onderkomen. Terwijl een paard een stal en speciaal voer vereiste nam de hond veel minder plaats in, was tevreden met een eenvoudig hok en lag 's nachts aan de ketting. Tijdens de dag kreeg hij alleen water. Met hier en daar een uitzondering natuurlijk, zoals de hond van Zotte Jan (een opkoper van oud ijzer). Die werd in café "De Tuimelare" steevast door zijn baas getrakteerd op een pint bier! Normaal 's avonds kreeg de hond zijn voedsel voorgeschoteld. Het dier at "wat de pot schafte", hoofdzakelijk etensresten, vlees, brood, groenten en slachtafval".

"Een hondenkar - het werk van de wagenmaker en de smid (voor het ijzerwerk) - was uiteraard ook goedkoper bij de aanschaf dan een paardenkar. Het dagelijks onderhoud ervan was gemakkelijk. Het karretje was erg geschikt voor het transport van allerlei kleinere vrachten en lasten. Bovendien was het in het verkeer veel wendbaarder dan een grote, brede paardenkar, handiger dus om ermee in smalle straten te rijden en korte bochten te nemen. Voor zwaardere lasten werden soms 2, tot zelfs 3 of vier honden ingespannen, bijv. om kleine of jonge dieren (o.a. biggen) te vervoeren".

Wie maakte vooral gebruik van een hondenkar?

Visverkoopster met hondenkar. Jozef Israëls, 1892.
Visverkoopster met hondenkar. Jozef Israëls, 1892. (© Amsterdam, Rijksmuseum/Wikimedia Commons).

L. Malfait: "Vooreerst de boeren, die er allerlei lasten mee vervoerden, van en naar de hoeve. Bijvoorbeeld om de koeien te gaan melken en daarna de met melk gevulde kruiken te dragen. Bij het werk op het land leverde de hond extra trekkracht voor het verplaatsen van een volle kruiwagen. Voorts trokken de boeren met een hondenkar naar de markt, de molen, de plaatselijke melkerij en de stad".

Oude postkaart met Vlaamse melkboerin bij een kar, getrokken door 3 honden.
Oude postkaart met een "Vlaamsche melkboerin" bij een kar, getrokken door drie gemuilkorfde honden.

"De hondenkar was vooral populair bij de kleinhandelaars, zoals bakkers, brouwers, kruideniers, enzovoort, om hun ronde te doen met essentiële voedingswaren, bijvoorbeeld melk, boter, kaas, groenten, bier, brood, graan, eieren, vis, mosselen, vlees e.d. ... Internationaal bekend waren de zogeheten "Vlaamse melkmeisjes" ("Laitières flamandes") die, gehuld in een typische klederdracht, van deur tot deur trokken. Op hun hondenkar stonden meerdere metalen melkbussen, omhuld met stro of vastgemaakt met riemen in een houten rek, om ze te beschermen tegen het hotsen en botsen van de kar".

Op deze 19de-eeuwse ansichtkaart laat een Franse postbode zich voeren door een trekhond
Op deze 19de-eeuwse ansichtkaart laat een Franse postbode zich welgevallig voeren door een trekhond.

"De hondenkar werd ook ingezet door leurders en verkopers van allerlei huishoudelijke benodigdheden, bijv. kolen, (sprokkel)hout, petroleum, fournituren (naai- en weefgerief). Kleine ambachtslieden gebruikten de hondenkar om hun materiaal te vervoeren, zoals verhuizers, schoenlappers, messenslijpers, rondtrekkende fotografen, orgeldraaiers, marktkramers, leerlooiers, krantenverkopers, noem maar op. Zelfs de overheid deed ooit een beroep op trekhonden. Zo werd de hondenkar lange tijd aangewend door de plaatselijke postdienst voor het ronddragen en bezorgen van brieven en pakketjes. Tijdens de 1ste Wereldoorlog maakte het Belgisch leger dankbaar gebruik van honden om een machinegeweer of ander klein geschut op een speciaal hiervoor ontworpen karretje naar de frontlinies te transporteren".

Welke honden kwamen in aanmerking?

Belgische Mastiff rashonden onder de wapens tijdens WO I om machinegeweer naar het front te trekken
"Belgische Mastiff" rashonden onder de wapens tijdens WO I om machinegeweer naar het front te trekken.

Linda Mailfait: "Doorgaans werd de de trouwe gezins- en waakhond ingeschakeld, op voorwaarde dat hij voldoende kloek gebouwd en gespierd was. De trekhond was voornamelijk een dogachtige, d.w.z. een hond met een grote kop, een brede snuit en een relatief groot en zwaar lichaam. Hij moest een minimum schofthoogte (= de afstand tussen de grond en de bovenrand van de wervelkolom, ter hoogte van de schouder) hebben van een halve meter. Het kon gaan om een flink uit de kluiten gewassen bastaard van bekende rashonden, zoals de Mechelse scheper, de Duitse herder of de groenendaeler. En niet te vergeten: de populaire Belgische rashond "Mâtin belge" ("Belgische Mastiff"), die in de jaren zestig van de vorige eeuw is uitgestorven. Deze zogeheten "Belgische rekel" werd vooral gewaardeerd om zijn groot uithoudingsvermogen, zijn zachtaardig karakter en zijn gehoorzame aard. Nagenoeg alle trekhonden waren reuen. Teefjes zouden teveel last kunnen hebben van loslopende mannetjes".

De beroemdste trekhond van de wereld

Nello en z'n hond Patrasche, op de kaft van de wereldberoemde roman A Dog of Flanders (1872) van de Britse schrijfster Ouida.
Nello en z'n trouwe hond Patrasche, op de kaft van de wereldberoemde roman
"A Dog of Flanders" (1872) van de Britse schrijfster Ouida.

De beroemdste trekhond ter wereld is ongetwijfeld Patrasche, bedacht door de Engelse romanschrijfster Marie Louise de la Ramée, bekend onder de schuilnaam Ouida. Ze schreef het boek "A Dog of Flanders" ("Een hond van Vlaanderen"), gebaseerd op de indrukken die ze opdeed tijdens een rondreis door België, waar ze uitermate getroffen werd door de kinderarbeid en door de armoede op het platteland . De roman, die verscheen in 1872 (Londen, Chapmann & Hall), beschrijft de tragische lotgevallen van een arme weesjongen Nello, die opgevoed wordt door zijn opa in een boerendorp in de omgeving van Antwerpen. Om de kost te verdienen moet hij dagelijks verse melk van de boerderij naar de stad vervoeren. Op een dag vindt Nello langs de kant van de weg Patrasche, een verwaarloosde trekhond, en de twee worden gelijk beste maatjes. Hij raakt ook zeer bevriend met de dochter van de plaatselijke molenaar.

Het verhaal van Nello en Patrasche is geen vrolijk verhaal. Zijn oude zieke grootvader sterft. Nello krijgt de schuld van een brand in de molen in de schoenen geschoven. Zijn droom om kunstschilder te worden (zoals Rubens, wiens schilderijen hij bewondert in de O.-L.-Vrouwkathedraal van Antwerpen) valt in duigen. Verzwakt door ontberingen sterft Nello, met Patrasche in de armen gekluisterd, op kerstavond in de kathedraal.

In Vlaanderen sloeg de roman niet zo aan. Hij was wel een succes in Engeland en vooral in de Verenigde Staten en Japan. In beide landen werden in de loop der jaren verscheidene (teken)films en tv-series gemaakt over "Een hond van Vlaanderen". De Amerikaanse regisseur Howell Hansel zorgde voor een eerste verfilming van het boek in 1914. In 2016 werd op de Handschoenmarkt, vóór de ingang van de Antwerpse kathedraal, een marmeren sculptuur van Batist Vermeulen geplaatst die een slapende Nello en Patrache voorstelt. De glooiende kasseien van de markt leggen als het ware een beschermend deken over hun lichaam.

De structuur van een hondenkar.

Hondenkar voor zuiveltransport naar de klanten of naar de markt.
Volledig gerestaureerde 19de-eeuwse hondenkar voor zuiveltransport naar de klanten of naar de markt.
Aarschot, Stedelijk Museum, inv.nr. 04L46 / Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG)

Linda Malfait: "Zo'n hondenkar was eenvoudig gebouwd, afhankelijk van het aantal honden, de goederen en het totale gewicht van de vracht. Soms volstond al een klein karretje, op fietswielen met dikke banden. In de regel had een kar twee houten spaakwielen met ijzeren velgen er rond. Daartussen was een houten laadbak op een as gemonteerd, al dan niet rustend op bladveren. Die laadbak had twee vast opstaande houten zijwanden, eventueel met een horizontale zitplank bovenaan voor de begeleider(s). Een bak kon langs de 4 kanten volledig gesloten zijn, bijv. wanneer die toebehoorde aan een bakker. Sommige gesloten bakken hadden een neerklapbare voorwand en/of achterschot. Vooraan waren er twee parallel lopende horizontale tremen van ongeveer een meter lang, waartussen de hond werd ingespannen. Soms had de kar een rem in de vorm van een houten blok, die men met een hendel tot tegen het wiel kon draaien en niet zelden was er een handvat aangebracht waarmee de eigenaar de hond kon helpen trekken, wanneer het te lastig werd op een helling of in de modder".

Hoe werd de hond ingespannen?

Een mobiele krantenverkoper met behulp van de hondenkar. Postkaart. Eind 19de eeuw.
Een ambulante krantenverkoper met behulp van de hondenkar. Prentbriefkaart, eind 19de eeuw.

L. Malfait: "Om de hond voor de kar te spannen had men een leren getuig nodig, waaraan - zoals bij een paard - een leiband (= teugel) was bevestigd om de hond te mennen. Er waren twee soorten van getuig: het borsttuig en het zadeltuig. Het best was nog een combinatie van beide, om de treklast beter te spreiden over het bovenlichaam. Zo kon de hond de schouders vrijer bewegen en was er minder druk op de ademhaling."


"Een borsttuig bestond uit een stevige brede horizontale riem voor de borst van het trekdier, met riemen over de hals om het getuig beter op zijn plaats te houden. Aan het borsttuig zaten ook twee lange riemen vast met elk een lus, waarin de tremen van het karretje werden geschoven. Aan het uiteinde van beide riemen was er een ijzeren ketting, die aan weerskanten werd vastgemaakt aan een haak onderaan de kar.

Cyriel Reynaert uit Moorslede, poserend  naast zijn 2 opgetuigde honden en hondenkar (foto: Rik Lybeer).
De Moorsleedse bakker Cyriel Reynaert, poserend naast zijn 2 opgetuigde honden met kar (foto: Rik Lybeer).

Het kwam ook voor dat de hond op zijn rug een schoftje, een soort van miniatuur-paardenzadel, kreeg opgelegd, dat met riemen werd vastgesjord aan de onderzijde van de buik. Daarbij werden de 2 tremen van de kar doorheen de loshangende stijgbeugels van het zadeltje geschoven. Bepaalde honden (van een kapitaalkrachtig baasje!) droegen rond de nek een zogeheten haam, vergelijkbaar met het hoofdstel (halster, gareel) van een trekpaard. Dat hondenjuk was een robuust eivormig leren kussen met houten versterking en metalen beslag".

Melkmeisje geeft trekhond te drinken. Een van die vele nostalgische tekeningen van Anton Pieck (1895-1987)
Melkmeisje geeft trekhond te drinken. Een van die vele nostalgische tekeningen van Anton Pieck (1895-1987)
met een sfeervol straattafereel uit "die goede oude tijd".

Vanaf het interbellum, en zeker na WO II (1940-1945) verdween de hondenkar meer en meer uit het straatbeeld. De opkomst van transportfietsen, bakfietsen, motorfietsen, gemotoriseerde karretjes, en later auto's, kleine en grote bestelwagens, vrachtwagens, enzovoort maakten het gebruik van honden als trekkracht langzamerhand overbodig.

Bovendien onstonden er vanaf het begin van de vorige eeuw aktiegroepen, die zich het lot aantrokken van de honden en die bepaalde misbruiken van hondenarbeid aan de kaak stelden. Ofschoon de meeste bazen goed voor hun hond(en) zorgden, waren er misbruiken, bijv. dat de hond te zware lasten moest torsen, te lange afstanden afleggen of amper werd verzorgd. De voerder liep in de regel niet naast de kar, maar zat er zelf ook op, wat de hond extra belastte, vooral dan bij slechte weersomstandigheden of op slecht onderhouden en modderige wegen.

Een melkmeisje in karakteristieke kledij en haar hondenkar worden gekeurd door een politieagent.
De hondenkar van een melkventster wordt gekeurd door een politieagent (Ingekleurde foto. Brugge, 1902).

In Nederland werd in 1910 de Trekhondenwet uitgevaardigd die het lastdier voortaan beter moest beschermen. De wet vaardigde een aantal beschermende voorschriften uit, die voordien al vrij algemeen in de dagelijkse praktijk spontaan werden toegepast door de eigenaars. De geleider van de hondenkar moest minstens 14 jaar oud zijn; de hond moest minstens één jaar oud zijn en een minimale schofthoogte hebben van 60 cm; er mochten maximum drie honden naast elkaar ingespannen zijn voor de kar; de kar moest uitgerust zijn met een drinkbak en een ligplank; de lading van de kar en de trekhond moesten zich in evenwicht bevinden. Volgens Linda Malfait had men altijd al iets droogs bij om de hond er te laten op rusten, bijv. een plank of een zeil, alsook een drinkbak en een (ijzeren) muilkorf (ijzer) of (lederen) muilband. Nieuw in de Nederlandse wet was wél dat elke houder van een trekhond zich voortaan moest registreren en jaarlijks een vergunning moest krijgen om z'n hond voor een kar te spannen. Veel later, in 1961, werd het gebruik van een hondenkar bij onze noordenburen volledig verboden door de Wet op de Dierenbescherming.

Een wedstrijd met sleehonden, zoals in het Hoge Noorden van Europa en Amerika.
Een wedstrijd met sleehonden bij ons, zoals van oudsher in het Hoge Noorden van Europa en Amerika.

In ons land kwam er officiëel een einde aan het inzetten van honden als last- of trekdier door de Wet op de Dierenbescherming van 2 juli 1975. Maar op dat moment was de hondenkar al lang in onbruik. Het Vlaams Ministerie van Landbouw en Zeevisserij kan nog wél, onder bepaalde voorwaarden, uitzonderingen toestaan voor de sledehondensport, die eind jaren zestig overwaaide vanuit Noord-Amerika, waar Eskimo's en Indianen voor hun vervoer lange tijd waren aangewezen op honden. Sinds 1982 bestaat er een "Federation of Belgian Mushers Clubs" (FBMC), waarbij verschillende clubs zijn aangesloten. De Vlaamse Trekhondenvereniging "Met hond en kar" is de enige organisatie die toestemming kan krijgen om, op ambachtsdagen of bij folkloristische evenementen, met Zwitserse Berner Sennenhonden de traditie van trekhonden voor het publiek te demonstreren.


Linda Malfait:

"Werken met een hondenkar kan voor veel mensen een mooie en gezonde hobby zijn, die tegelijk het welzijn van de hond bepaald niet zou schaden. De honden zélf vinden het gewoon prettig! Die ervaren het echt niet als een straf om met hun baas op stap te gaan! Véél liever dan een hele dag in een mand voor de kachel te liggen. Het einde van de hondenkar is er dus eigenlijk een beetje gekomen tot spijt van de honden zélf. Want alhoewel het vroeger lange en zware dagen waren, stonden ze ’s morgens al te trappelen en te janken van ongeduld om te worden ingespannen. Ze hadden energie te over en liepen vaak veel vlugger dan ze eigenlijk moesten. Ooit wou bakker Albert Samyn uit Beitem (nu bakkerij Vandelannote) eens de hond van zijn oom en tante van de herberg "De Tuimelare" uittesten voor zijn broodkar. De hond had echter geen oren naar zijn nieuwe baas. Met de vlam in de pijp liep hij holderdebolder, in één ruk door tot aan de marktplaats van Moorslede. Albert kon mooi op zijn stappen terugkeren om dan maar op eigen krachten zijn ronde te doen!".

De rollen zijn omgekeerd: de mens trekt de hond. Babboe hondenbakfiets, anno 2024.
De rollen zijn omgekeerd: de mens trekt kar met hond. Een hondenbakfiets, anno 2024.

Hondenkarren zijn er eigenlijk nog steeds in het straatbeeld, alléén zien die er nu volkomen anders uit. Tegenwoordig bestaan er allerlei aanhangwagentjes, van alle mogelijke modellen en maten, die in de volksmond ook hondenkarren worden genoemd. Deze worden achteraan een fiets vastgehaakt. De hond mag erin plaatsnemen en het is het baasje (m/v) dat er vervolgens mee rondrijdt. De hond zit lekker droog en comfortabel, als een verwende toerist in een oriëntaalse riksja! Echt de omgekeerde wereld als men dit vergelijkt met de onderstaande afbeelding.

De bakker doet zijn ronde in een Frans dorp in de 19de eeuw.
De bakker doet zijn ronde in een Frans dorp, in de 19de eeuw.

    © Copyright Linda Malfait 2022-. Alle rechten voorbehouden.        Webbeheerder: Willem Wylin.