|
|
![]() Huisjes met strodaken. Tekening van Vincent Van Gogh, 1884 (Bron: Wikimedia/Londen, Tate Gallery).
De KoolbrandershoekAls we Pieter Lansens, de bekende 19de eeuwse geschiedschrijver uit Koekelare, mogen geloven genoot Moorslede in zijn tijd blijkbaar een kwalijke reputatie in West-Vlaanderen. In zijn bekende historisch werk "Alouden staet van Vlaenderen voor en gedurende het leenroerig bestier" (1841) schetste Lansens volgend ronduit negatief beeld van de bewoners van onze gemeente: "Moorslede, eene parochie in de provincie Westvlaenderen tusschen Yperen en Rousselaere gelegen, beteekent eenen weg die waerschynelyk voor de reyzigers in oude tyden zeer gevaerlyk was, omdat er in die omstreek vele bosschen waren, waerin dikwyls moorders en struykroovers schuylden, die hunne handen door moordery en roof op de openbare wegen bezoedelden (…). Om te bewyzen dat zulks geene ongegronde gissing is, heeft er nog, in de voorledene (n.v.d.r. 18de) eeuw, eenen zoo genoemden Koolbrandershoek bestaen, alwaer er in de bosschen zeer woeste en roofzuchtige menschen woonden".Enkele jaren later, in 1860, voerde pastoor Victor Huys in zijn immens populaire boek "De Bende van Bakelandt of de rooversbende van 't Vrijbusch" (1860) de Koolbrandershoek eveneens ten tonele als een gehucht dat bevolkt werd door een groep ruwe en marginale bezembinders. Maar terwijl P. Lansens de gevreesde Koolbrandershoek verkeerdelijk situeerde binnen de gemeente Moorslede gaf Huys een vrij correcte gebiedsomschrijving van die hoek. In zijn inleiding schreef hij het volgende: " "De Koolbrandershoek, zoo wel gekend mag men zeggen door geheel Westvlaenderen, ligt aanzijds Moorslede (n.v.d.r. palend aan de Tuimelarewijk), noord Ledeghem en zuid Rumbeke, grootendeels wyds en zyds omtrent de aloude herberge Sente Pieter, maer niet zoodanig byeen, dat al de huttekens rond malkander staen. Wat schuins over de herberge ziet men er wel dertig huisjes bedekt met stroo en met wanden van leem en klei, allen op geen tien stappen verscheen, te midden eener party land, zonder dat er strate of iets naer toe loopt ... De andere huttekens stonden meer innewaerts het land, en nader Rousselaere en Rumbeke tot aen en over Sinne Salens kruis (n.v.d.r. de Kruiskapel), verre genoeg van kerke en dorp... De bewoners van dat gehucht werden kolenbranders en het gehucht zelvde Kolenbrandershoek geheeten" (V. Huys) ![]() De Koolbrandershoek, gesitueerd in de huidige dorpskern van Beitem (rode stip). Ten westen de Meensesteenweg (oranje) en ten zuiden De Veldstraat met, op de hoek, Sinnesaels kapel (gele stip) (Kadasterkaart van Rumbeke, Philippe Popp, 1851). De geografische omschrijving door Huys vinden we terug op de bovenstaande kadasterkaart van Rumbeke van Ph. Popp (1851). De Koolbrandershoek was goeddeels uitgesmeerd over de zuid-westelijke hoek van de gemeente Rumbeke, waar in de 2de helft van de 19de eeuw de dorpskern van het huidige Beitem zal verrijzen. ![]() De Koolbrandersstraat in Beitem, een blijvende herinnering aan de 19de eeuwse Koolbrandershoek aldaar (Bron: Google Street View, 2022). Ten oosten strekte de Koolbrandershoek zich uit tot de Kortewagenstraat, ten westen tot aan de Meensesteenweg en de Tuymelaerehoek (Moorslede), en ten zuiden - voorbij de Veldstraat (nu Monseigneur Catrystraat) en Sinnesaels kapel - tot de herberg St.-Pieter, in de noordwestelijke uithoek van Ledegem. Het café stond op het kruispunt van de Menensesteenweg, de Moorsleedsestraat en de Groene Jagersstraat. ![]() De herberg St.-Pieter, waarrond V. Huys in zijn boek over de bende van Baekelandt een 30-tal hutten van koolbranders situeerde (Bron: Google Street View).
De Schouthoek (Ledegem)![]() De Schouthoek (gele stip) tegen de grens met Moorslede, nabij het kruispunt (blauwe stip) van de Oude Heirweg en de 'Steenweg naar Moorslede' (de huidige Moorsledestraat), op een boogscheut van de herberg St.-Pieter (groene stip) (De kadasterkaart van Ledegem. Ph. Popp, 1851). Linda Malfait: "Omdat er tegenover de herberg St.-Pieter ook een 40-tal hutjes stonden van koolbranders en bezembinders, is het niet verwonderlijk dat Victor Huys de Koolbrandershoek verwarde met de meer westelijk gelegen Schouthoek waar bezembinders woonden in eveneens 40 schamele hutjes. Maar de Schouthoek lag in het verlengde van de Koolbrandershoek en was er eigenlijk een uitloper van, mét een eigen wijknaam, verderweg richting Moorslede". ![]() De Schouthoek (gele stip) tegen de grens (Papelandbeek) met de Tuimelarewijk, de hoek met de Moorsledestraat (blauwe stip) en het café St.-Pieter (groene stip). Topografische kaart van Ph. Vandermaelen (1846-1854).
![]() De Schouthoek (rode stip), de hoek met de Breulstraat (rode stip) en St.-Pieter. Nu op OpenStreetMap, 2024. "De Schouthoek bevond zich ten zuiden van onze Tuimelarehoek, aan het uiteinde van de Oude Heirweg. Hij lag grotendeels op het grondgebied van Ledegem, maar voor een deel ook op Moorslede, namelijk vanaf de grens met Ledegem tot aan de Tuimelarestraat. Dat laatste deeltje van Moorslede werd in sommige perioden ook bij de Tuimelarehoek gerekend. De bewoners van de Schouthoek haalden hun hout in het Vrijbos in Houthulst, zo'n 18 km ver. Ze waren dikwijls 's middags al weer thuis, beladen met een last van 50 tot 70 kg en met een groot gekromd mes aan hun riem."
Vanwaar de naam Schouthoek?![]() Philippe Poppe maakte in 1851 deze uitsnede van de Schouthoek bij zijn kadasterkaart van Ledegem. In de door ons geraadpleegde lectuur is Victor Huys de enige die een - weliswaar summiere - uitleg verschaft over de herkomst van de plaatsnaam Schouthoek: "Die hoek wierd alzoo genoemd, zegt men, en zoo gebleven, omdat er Pee Bruneel, bygenaemd de Schout, en moordenaer van den schout van Rosebeke, eertijds woonde". Pee Bruneel alias Pieter Jacobus Bruneel was een bezemmaker en dagloner die in 1777 werd geboren in Ledegem en woonde op de Koolbrandershoek (op de Schouthoek, althans volgens V. Huys). Hij maakte deel uit van de bende van Baekelandt, die in het begin van de 19de eeuw onze streken onveilig maakte. In 1803 werd Pieter Bruneel, samen met 23 andere bendeleden, wegens zware criminele feiten ter dood veroordeeld en onthoofd door de guillotine. ![]() Pieter Bruneel, "De Schout" (Bron: Bende van Baekelandt. B. Vermeersch). Waarom werd Pee Bruneel in zijn tijd "de Schout" genoemd? Hij zou een moord hebben gepleegd op de veldwachter (garde) van Passendale, dus niet de schout van (West of Oost)Rozebeke. De namen van "schout" en van "garde" (veldwachter) werden in de volksmond door elkaar gehaald omdat ze allebei overheidsfunctionarissen waren die de plaatselijke orde en rust moesten handhaven. ![]() De Schouthoek (gele stip), de hoek met de Breulstraat (blauwe stip) en de herberg St.-Pieter (groene stip). Atlas der Buurtwegen, 1841. Pieter (Pee) Bruneel was een trouwe en naaste trawant van Baekelandt en werd steevast afgeschilderd als een van de meest angswekkende figuren uit de bende. Hij stond bekend om zijn wreed en meedogenloos optreden en boezemde zo doodsangst in bij de mensen. Die angst zat zo diep dat in de volksverhalen over Baekelandt de moeders hun kinderen in huis hielden met volgend rijmpje: "Houdt u binnen, houdt u stil, want den Schout is op de baan en hij doet wat hij wil." Zo ging de naam van "de Schout" over op de naam van zijn woonplaats.
De bende van Baekelandt
Onze streek werd op het einde van de 18de eeuw, tijdens de Franse bezetting, geterroriseerd door de roversbende van Baekelandt die opereerde vanuit het beschutting biedende Vrijbos. Victor Huys (1829-1905), de pastoor van Zillebeke, maakte de beruchte bende "wereldberoemd" in Vlaanderen met zijn boek "Baekeland, of de rooversbende van ’t Vrijbusch (Gent, A. Neut, 1860). Huys was een leeftijdgenoot van de dichter Guido Gezelle. Gedurende enkele jaren gaven ze allebei les in het Klein Seminarie van Roeselare en raakten goed bevriend met elkaar. Samen met de priester-leraar Leonard De Bo uit Menen, auteur van het "Westvlaamsch Idioticon" (1870-1873), waren ze voorvechters van het West-Vlaamse dialect, dat volgens hen soepeler en natuurlijker klonk dan het "stijve Nederlands". Als jonge leraar schreef V. Huys vanaf 1857 in de katholieke Brugse krant "Standaerd van Vlaenderen" een vervolgreeks met verhalen én legenden over Ludovicus Baekelandt en zijn roversbende. Hiermee oogste hij onmiddellijk succes. Zijn feuilleton van 6 verhalen werd in 1860 gebundeld in een boek, dat tot ver in de vorige eeuw waanzinnig populair was, dat men aantrof in alle bibliotheken en ook in vele huishoudens in onze streken. Huys waarschuwde de lezers dat lang niet alles in zijn boek historisch was. Hij gaf aan dat hij zich ook baseerde op volkslegenden die hij her en der opving. Er ontstonden in de loop der jaren veel volkssagen en -liederen, waarin zowel waar gebeurde feiten als legenden door elkaar werden verweven. Tot ver in de vorige eeuw was pastoor Huys' bestseller een dankbare inspiratiebron voor tal van romans en stripverhalen over Baekelandt.
Lodewijk Baekelandt![]() Lodewijk Baekelandt (Bron: Sententie der Fransche republycke jegens L. Baekelandt en zyne medeplichtigen, Brugge, 1803) Lodewijk (of Ludovicus, of Louis) Baekelandt werd geboren in Lendelede op 17 januari 1774. Vanaf zijn 6de jaar werd hij uitbesteed bij een boerengezin. Als jongeling ging hij werken als boerenknecht in Ingelmunster. Vanaf 1795 woonde hij bij de marginale horlogemaker Jan-Augustijn (Knorre) Busschaert in Staden, wiens dochter Catharina zijn lief werd. In 1798 kondigde de Franse bezetter bij ons de zogeheten "bloedwet" af. De vrijwillige legerdienst werd afgeschaft en vervangen door de dienstplicht. Voortaan werden de dienstplichtige recruten uitgeloot. De rijken betaalden meestal een arme vrijwilliger om de plaats van hun zoon in te nemen. Zo liet Baekelandt zich in 1799 inlijven in het Franse Republikeinse leger, als plaatsvervanger van een rijke jongeman uit Izegem, omdat hij daar als vrijwilliger geld voor kreeg. Baekelandt kon niet wennen aan de militaire orde en tucht. Na korte tijd deserteerde hij en hield zich schuil in het Houthulstbos ('Vrybusch"). Hij had contact met Jan-Augustijn Busschaert ("De Knorre") in Staden. Busschaert stond aan het hoofd van een kleine roversbende die verscheidene diefstallen pleegde bij boeren in de omgeving. Baekelandt ging mee en stond op de uitkijk. Hoewel hij verhuisde naar Ichtegem werd hij eind 1799 toch opgepakt wegens vaandelvlucht en naar zijn legerkorps overgebracht. Maar Baekelandt deserteerde opnieuw en belandde in Pittem waar hij een Amand Simpelaere, eveneens een deserteur, leerde kennen. Het tweetal werd in oktober 1800 gearresteerd maar kon nadien ontsnappen uit het Franse leger. Baekelandt leefde ondergedoken maar had geen vaste verblijfplaats. Meer en meer werkte hij zich op tot onbetwiste leider van een heuse roversbende. Deze was verantwoordelijk voor heel wat criminele feiten zoals inbraken, diefstallen, gewelddaige roofovervallen ("homejacking" heet dat nu), struikroverij, brandstichtingen, mishandelingen, overvallen en zelfs drieste roofmoord. Baekelandt en zijn trawanten hadden het vooral gemunt op eten, geld, juwelen en kleding. ![]() Kaft van P. D. Cracco's boek "Baekelandt en zijne talrijke bende ..." (1858) De bende had enkele kenmerkende methodes om haar slag te slaan. Baekelandt zond mensen rond om van huis tot huis te leuren (met o.a. bezems) en zo te weten te komen welke mensen geld in huis hadden, en waar ze hun waardevolle dingen (juwelen) verstopten. Sommige bendeleden gingen als knecht op een boerderij werken om er informatie in te winnen, alvorens een inbraak te plegen. De bende schroomde zich niet om bewoners die weigerden te onthullen waar het geld verborgen zat te mishandelen. Een beruchte 'specialiteit' was "voetbranden", het verbranden van de voetzolen van slachtoffers die weigerden te spreken. Uiteindelijk stond Baekelandt stond aan het hoofd van een bende met 33 leden, waaronder 8 vrouwen. Die werden o.m. gerecruteerd in de Koolbranderswijk en op de Schouthoek. Wanneer men de medeplichtige kroegbazen erbij telt, komt men algauw uit op 50 handlangers. Er werd in het grootste geheim vergaderd in bepaalde herbergen door de kopstukken van de bende. De overige leden bleven gewoon in hun huis wonen en ze hadden nu en dan hun leider te gast voor enkele dagen. Pastoor V. Huys schrijft hierover het volgende: "De capitein en zyn volk hadden hunne huizen, hunne vergaderingen en hunne herberge by de koolbranders; hy kwam er somtyds, niet dikwyls, maer nu meer dan voortyds, om altyd weg en weêr te zyn, en zoo veel mogelyk, door veranderen van plaetse, aen de oogen en de klauwen der gendarms te ontsnappen. De vergaderplaets der roovers was eene herberg, die achter Sinte-Pieters stond, langst een strate die liep naer den Peene-Molen ten zuiden van Ouckene; niet verre van daer was er een donker bosselken, en dikke hagen, zeer voordeelig om kwaeddoeners te verduiken" (n.v.d.r. Met die herberg bedoelde Huys wellicht het latere café "De Reisduif", in de volksmond "Het Lijmpotje" in de Groene Jagersstraat.) ![]() Verslag terechtstelling bende van Baekelandt. "Gazette van Brugge" (3 nov. 1803). In het begin van 1801 keerde het tij voor bendeleider Baekelandt. Samen met zijn nieuwe vriendin Isabella Van Maele ("Belle Bettens") werd hij herkend tijdens het plegen van een diefstal in Staden en belandde in de gevangenis. Tegen 10 juni 1802 zaten alle bendeleden achter de tralies in de kelders van het Brugse Vrije op de burg in Brugge. Op 3 augustus 1803 begon het proces in het gerechtshof van Brugge. Meer dan honderd getuigen legden verklaringen af ten laste van Baekelandt. De zitting verliep moeilijk want de bendeleden zelf hielden de lippen stijf op elkaar. Na 17 dagen, op 20 augustus, volgde het bijzonder strenge vonnis: 24 bendeleden (21 mannen en 3 vrouwen) werden veroordeeld tot de doodstraf wegens deelname aan 22 zware delicten. Vier anderen kregen tijdelijke straffen (6 uur schandpaal + 16 jaar dwangarbeid ("de 'ijzers") voor de man / 16 jaar tuchthuis voor de 3 vrouwen). Vijf (3 mannen en 2 vrouwen) werden vrijgesproken. ![]() 19de eeuwse guillotine. Brugge, Gruuthusemuseum. Op 2 november 1803 werden L. Baekelandt en zijn 23 ter dood veroordeelde trawanten - onder grote publieke belangstelling - naar hun executieplaats geleid op de Grote Markt van Brugge, waar ze werden terechtgesteld. De onthoofding met de guillotine vond plaats rond 15.30u. De stoffelijke overschotten werden nog diezelfde dag begraven in de tuin van het Sint-Janshospitaal in Brugge.
De bende van Baekelandt en de Schouthoek![]() Een kolenbrandersgezin (19de-eeuwse postkaart uit het Franse Aix-en-Othe, Aude). Linda Malfait: "De meeste mensen op de Tuimelare weten dat er ook leden van de bende van Baekelandt woonden op de aanpalende Schouthoek en ook op de Koolbrandershoek. De bezemmakers en kolenbranders uit beide wijken namen het niet zo nauw met de wet. Ze leefden van illegaal verkregen hout uit de naburige bossen, omdat ze arm waren en hun grondstoffen niet konden betalen. Een document uit 1726 leert dat toen al enkele bezemmakers uit Ledegem in aanraking kwamen met het gerecht. Volgens Victor Huys is het dan ook niet vreemd dat enkele inwoners van die gehuchten lid waren van de roversbende van Bakelandt en een veroordeling tot de doodstraf opliepen voor het assisenhof in Brugge: "Goede en eenvoudige menschen woonden er zekerlyk; maer niemand zy verwonderd dat er vele aerdige tusschen liepen, vele dieven, en eenige moordenaers. Baekeland had er van zyn volk, en van de stoutste uit: onder andere, vyf van daer hebben hun hoofd op het schavot gelaten".5 van de 24 terdoodveroordeelde bendeleden waren afkomstig van de Koolbrandershoek. Een vrouw en vier mannen: ![]() Barbara-Theresia Bruneel (Bron: Bende van Baekelandt. B. Vermeersch)
![]() De Schouthoek op de hoek van de gelijknamige straat met de Moorsleedsestraat (Bron: Google Street View).
|